| |
 |
Iphigénie en Aulide | Iphigénie en Tauride Christoph Willibald Gluck 1714 1787
Gluck wijdde twee opera’s aan de Atriden-dochter Iphigenia. In de eerste concentreerde hij zich op haar lotgevallen vóór de Trojaanse oorlog, terwijl de tweede zich afspeelt na de val van Troje. Toen de Grieken wilden uitvaren om Troje te belegeren, strafte de godin Diana hen met windstilte. Als zoenoffer eiste zij Agamemnons dochter. Op het laatste moment veranderde de godin echter haar plan: Iphigenia mocht blijven leven en werd naar Tauris gebracht, waar zij als priesteres in Diana’s tempel moest dienen. Na de Trojaanse oorlog wordt de Griekse, inmiddels een volwassen vrouw, voor een soortgelijk dilemma gesteld als haar vader jaren eerder: zij moet een mens offeren. Oog in oog met het slachtoffer herkent zij in hem echter haar broer Orestes. Ook in deze opera grijpt Diana ten slotte in: zij verklaart dat de goden verzoend zijn en dat Iphigenia en Orestes veilig naar huis kunnen terugkeren. De twee opera’s vormen het begin respectievelijk het einde van Glucks operahervorming, waarmee hij de inmiddels verstarde vormen openbrak en de basis legde voor de ontwikkeling van het genre als een kunstvorm waarin alle elementen tot een dramatische eenheid zijn samengesmeed.
Gluck heeft de dramatisch bewogen vrouwenstem weer in
contact gebracht met de grootste, waarachtig menselijke natuur,
en haar de gestalte gegeven van heroïsche, door menselijke
gevoelens gedreven en toch mythische protagonisten.
Paul Bekker
|
|
 |
 |
|
|
|