| |
 |
Samson Georg Friedrich Händel 1685 1759
I.
De Israëlieten en de Filistijnen zijn met elkaar in oorlog. De leider van de Israëlieten, Samson, is na een list van zijn Filistijnse vrouw, Dalila, van zijn bovenmenselijke kracht beroofd. Zijn ogen zijn uitgestoken en hij bevindt zich als gevangene in Gaza, terwijl de Filistijnen de overwinning vieren. Micah en andere Israëlieten bezoeken Samson, die uiting geeft aan zijn verdriet over de verloren vrijheid en over zijn blindheid (Total eclipse!). Ook Samsons oude vader, Manoah, komt naar Gaza om zijn zoon te troosten en prijst zijn heldendaden (Thy glorious deeds). Bitter berouwt Samson het feit dat hij het geheim van de hem door God geschonken kracht heeft prijsgegeven. Hij verlangt naar de dood.
II.
Dalila betuigt haar spijt en probeert Samson weer in te palmen. Hij wil niets van haar weten en zendt haar woedend heen (Traitor/ Traitress to love!). De Filistijn Harapha komt Samson beledigen. Deze daagt hem uit tot een duel, wat Harapha verontwaardigd afwijst (Honour and arms scorn such a foe). Micah roept op tot een godsgericht: laat Dagon, de god van de Filistijnen de steeds meer terugkerende kracht van Samson maar eens breken! Israëlieten en Filistijnen menen elk dat hun god de sterkste is (Fix’d in his everlasting seat).
III.
Harapha komt terug: de Filistijnen willen dat Samson aan de feestelijkheden voor Dagon bijdraagt met zijn kracht. Aanvankelijk weigert deze, maar hij stemt vervolgens toe en neemt afscheid van zijn vrienden. Manoa hoopt Samson vrij te kopen. In de verte klinkt feestgezang van de Filistijnen (Great Dagon has subdued our foe). Plotseling horen de Israëlieten lawaai en geschreeuw: een boodschapper meldt dat Samson, wiens kracht volledig was teruggekomen, de tempel van Dagon heeft doen instorten, waarop de Filistijnen en hijzelf de dood vonden. De Israëlieten dragen Samson plechtig ten grave en bewijzen hem eer (Let the bright Seraphim). |
|
 |
 |
|
|
|