| |
 |
L’Orfeo Claudio Monteverdi 1567 1643
Proloog
De Muziek kondigt het verhaal van Orfeo aan.
I
Herders en nimfen zingen vol vreugde over het aanstaande huwelijk van de zanger Orfeo en zijn geliefde, Euridice. Bruid en bruidegom geven op hun beurt uiting aan hun blijdschap.
II
Orfeo denkt terug aan de treurige tijd die achter hem ligt. Plotseling komt een vriendin van Euridice melden hoe deze door een slang werd gebeten en kort daarna stierf. Orfeo is overweldigd door verdriet, maar besluit in de onderwereld af te dalen om zijn bruid terug te krijgen.
III
Begeleid door de Hoop komt Orfeo aan bij de ingang tot de hel, vanwaar hij alleen verder moet. Met zijn zang probeert hij de veerman Charon over te halen hem naar de andere oever van de dodenrivier te brengen, waar de zielen der gestorvenen zich bevinden. Charon weigert, maar valt in slaap op de lieflijke tonen van Orfeo's lied. De zanger kan nu zelf de overkant bereiken.
IV
Proserpina, de echtgenote van Pluto, de god van de onderwereld, weet deze zover te krijgen dat hij Orfeo's verzoek om Euridice naar de levenden te laten terugkeren inwilligt. Er is één voorwaarde: onderweg mag hij niet naar haar omkijken. Als er lawaai klinkt, schrikt Orfeo en kijkt Euridice aan, die opnieuw sterft. Tegen zijn wil wordt Orfeo naar het licht teruggevoerd.
V
Orfeo is ontroostbaar en zweert de liefde voor de vrouwen af. Dan daalt zijn vader, de god Apollo, neer en roept hem op om mee te gaan naar de hemel. Daar zal hij in de zon en de sterren Euridices evenbeeld eeuwig kunnen toezingen. Apollo en Orfeo stijgen samen ten hemel. |
|
 |
 |
|
|
|