| |
 |
Hercules Georg Friedrich Händel 1685 1759
I
In het paleis te Trachis wacht Dejanira met smart op de terugkeer van haar echtgenoot Hercules, die ten strijde is getrokken tegen Eurytus, de koning van Oechalia. Net als hun zoon Hyllus op het punt staat zijn vader te gaan zoeken, wordt diens terugkeer aangekondigd. Onder de krijgsgevangenen bevindt zich de dochter van Eurytus, Iole. Eerder had Hercules haar hand gewonnen maar haar vader hield zich niet aan zijn belofte. Uit wraak heeft Hercules Eurytus gedood.
II
Iole betreurt haar lot. Dejanira denkt dat Hercules haar met de mooie krijgsgevangene bedriegt, maar Iole waarschuwt haar voor jaloezie. Hetzelfde merkt de heraut Lichas op. Hyllus is verliefd op Iole, maar wordt door haar afgewezen. Dejanira beschuldigt Hercules van ontrouw, maar deze ontkent en gaat naar de voorbereidingen voor het offerfeest om zijn overwinning te vieren. Dan herinnert Dejanira zich een prachtige mantel, gedrenkt in het bloed van de kentaur Nessus. Toen deze had geprobeerd haar te ontvoeren, werd hij door Hercules met een vergiftigde pijl gedood. Slinks raadde de stervende Nessus Dejanira aan een mantel in zijn bloed te dopen om zich te verzekeren van Hercules' liefde. Zij laat nu de mantel door Lichas naar Hercules brengen en verontschuldigt zich tegenover Iole voor haar misplaatste jaloezie.
III
Lichas meldt hoe Hercules de mantel aandeed en hoe het door het offervuur gesmolten gif door zijn huid heentrok. De stof hechtte zich aan Hercules' vlees en hij kon het kledingstuk niet meer uittrekken. In zijn doodssmart beschuldigde hij Dejanira en vroeg Hyllus hem naar een brandstapel op de berg Oeta te brengen. Dejanira wordt half waanzinnig als ze beseft wat ze heeft gedaan. De priester van Jupiter bericht dat een adelaar neerdaalde op Hercules' lichaam en dat diens ziel in de kring van de goden zal worden opgenomen. Ook vertelt hij Iole dat het haar lotsbestemming is om met Hyllus te trouwen. Het koor eert Hercules.
|
|
 |
 |
|
|
|